Een 19-jarige jongen wilde de wereld verbinden met één taal, namelijk Esperanto. In de 19e eeuw groeide Ludwik Zamenhof op in Białystok, een stad waar verschillende bevolkingsgroepen en talen naast elkaar leefden. Zamenhof zag dat mensen elkaar vaak niet goed begrepen en dat er spanningen waren tussen de verschillende groepen. Volgens zijn memoires bracht hem dat op een idee: wat als iedereen één neutrale taal zou kunnen spreken?
Van idee naar taal
Zamenhof was gek op talen. Toen hij 19 jaar was, had hij al een eerste versie van zijn nieuwe taal gemaakt. Hij noemde die”Lingwe uniwersala”, oftewel ‘universele taal’. De taal was nog anders dan het Esperanto van nu, maar het belangrijkste idee stond vast: Een taal die niet bij één land of volk hoorde. Daarna bleef Zamenhof jarenlang aan zijn taal werken. Hij maakte de grammatica zo eenvoudig en logisch mogelijk, zodat mensen de taal makkelijk konden leren. Op 26 juli 1887 publiceerde hij in Warschau zijn eerste boek over de taal, La Unua Libro. Daarin stonden de basisregels, voorbeeldteksten en een woordenlijst met 917 woorden. Hij gebruikte het pseudoniem (een verzonnen schuilnaam) ‘Dr. Esperanto’, waarna Esperanto uiteindelijk de naam van de taal werd.
Esperanto verspreidt zich
Het idee kreeg al snel aandacht. In 1888 waren er al honderden mensen in Europa en de Verenigde Staten die Esperanto leerden. Een jaar later waren er meer dan duizend Esperantisten, dit is iemand die de kunstmatige internationale hulptaal Esperanto kent en gebruikt, en er verschenen de eerste verenigingen en tijdschriften in de taal.Wat begon als een idee van een 19-jarige jongen groeide zo uit tot een internationale beweging. Zamenhof wilde met zijn taal mensen met verschillende achtergronden met elkaar laten communiceren. Een taal voor de hele wereld: dat was zijn droom, helaas bleef zijn droom buiten bereik en werd Esperanto nooit de wereldtaal waar Zamenhof op hoopte.